Episode 25 | Jos de Keijzer | De Verloren God

22:53
 
Delen
 

Manage episode 243347787 series 2402200
Van katarcast, ontdekt door Player FM en onze gemeenschap - copyright toebehorend aan de uitgever, niet aan Player FM. Audio wordt direct van hun servers gestreamd. Klik de abonneren-knop aan om updates op Player FM te volgen of plak de feed URL op andere podcast apps.

Lukas 15:11-31

Eens, heel lang geleden was er vrede tussen God en de mensen. Ze waren gelukkig samen. Het was zelfs moeilijk om de een van de ander te onderscheiden, want God wandelde onder de mensen als een van hen. Ze had de mensen lief als haar eigen kinderen en zorgde voor hen naar de mate waarin ze daartoe in staat was. De mensen aanbaden God en dankten haar naar de mate van zegeningen die ze ontvingen en de mate van dankbaarheid die ze voelden. Die dankbaarheid stond nimmer in verhouding tot de zorg die ze ontvingen maar daar maakte God zich niet druk over. Uiteindelijk is het nu eenmaal al te menselijk om te kort te schieten in dankbaarheid.

God had een goede relatie met de mensen omdat Zij hun verlosser was die hen had geholpen in tijden van nood. En hoewel de mensen tamelijk vergeetachtig waren als het om de lange weg ging die ze af hadden gelegd, de moeiten die ze hadden doorstaan en de wijze waarop God hen daarin bij had gestaan, hadden ze God toch heus lief en wendden zij zich tot haar voor hun dagelijkse noden. Er was vrede in het land en hoop voor de dag van morgen.

Gods vertrek

Maar op een dag zei God iets dat iedereen aan het schrikken bracht.

“Ik wil weg”, zei God. “Ik weet dat ik alle eeuwigheden heb om alle dingen te doen die me leuk lijken, maar jullie hebben dat niet. En aangezien er nog meer mensen zijn in deze wereld dan jullie alleen, wil ik de mensheid verder onderzoeken en ervaren. En ik moet me haasten als ik dat voor elkaar wil krijgen voordat jullie uitsterven. Ik moet de wereld ervaren voordat die er niet meer is”. Het was duidelijk dat het God menens was; ze had haar jas in haar hand, een rugzak om de schouders geslagen en had een hoed op haar hoofd tegen de felle zuiderzon.

“Maar heb je ons niet eeuwig leven gegeven”, wierpen de mensen vertwijfeld tegen, terwijl ze niet wisten wat vreemder was, Gods verlangen om hen te verlaten of het feit dat God het over hun eindigheid had.

“Kijk”, zei God, “ik heb jullie gered toen jullie het moeilijk hadden. ‘Eeuwig’ is echter nogal een zwaar beladen woord, denken jullie ook niet?”.

“Maar… hoort u niet voor ons te zorgen enzo?” brachten ze stamelend in tegen God.

“Goed, ik heb jullie eeuwig leven gegeven”, zei God, “maar het is nogal vermoeiend om dat eeuwige aspect ervan te honoreren gelet op jullie onverwoestbare neiging tot ecologische zelfvernietiging. Dus…. geef me alsjeblieft waar ik recht op heb en dan knijp ik er tussenuit. Het is tijd om een beetje plezier te gaan maken”.

Boos en verward verzamelden de mensen alles waarvan ze vonden dat God recht op had. Opeens was dat een stuk minder dan vóór het gesprek. God maakte zich er niet druk om. Uiteindelijk is er een limiet aan wat er zoal in een rugzak past.

Zo vertrok God, met achterlating van de mensen in hun verbijstering en verlorenheid. Van het ene op het andere moment waren ze de richting en betekenis van hun leven kwijt geraakt. Ze moesten er nu het beste van maken zonder goddelijke voorzienigheid, geestelijke leiding en hoop voor de toekomst. En dat is nogal wat. Zolang alles goed in elkaar zit en klopt, heb je niet door hoe belangrijk zin en hoop eigenlijk zijn. Je hebt de neiging ze voor lief te nemen.

Opmerkelijk genoeg bleek al gauw dat de mensen zich niet heel erg druk maakten over de verandering. Ze gingen gewoon terug naar hun dagelijks leven met z’n dagelijkse routines en waren in het algemeen goed in staat zich zonder God te redden. Sommigen mensen zagen er zelfs aanmerkelijk gezonder en opgewekter uit.

God liep en liep. Dag en nacht was God op reis naar een toekomst waarin hij elke mogelijke aspiratie besloot na te streven, zelfs (of misschien vooral) die aspiraties die onmogelijk uitvoerbaar waren gebleken toen God nog bij de mensen was.

In het verre land

Zoals verwacht bleek de wereld een magische en maar al te verleidelijke uitwerking te hebben op God. God ging allianties aan met de machten van de aarde en dat bleek een uitermate sterke combinatie op te leveren. In zijn hoedanigheid als God bleek het niet moeilijk voor God om voorrechten toe te kennen aan keizers, koningen en prelaten. Zij oefenden hun macht uit in de naam van de allerhoogste en werden als beloning gezegend met nog meer macht, harems, slaven, paleizen en overwinningen dan ze al hadden. Vooral heel veel overwinningen. Niemand besefte echter dat God precies dezelfde privileges toekende aan de koningen en moguls die de vijanden waren aan de andere kant van het strijdveld.

Omdat het God allemaal weinig moeite en tijd kostte om al die zegeningen weg te geven, besloot hij om een bijbaantje aan te nemen. God ging zich bemoeien met filosofie. Het ging God niet alleen om het plezier dat deze bezigheid hem gaf. Om de voorrechten kracht bij te zetten, die hij aan de machtigen van de aarde verleende, was er meer nodig dan militaire macht, economische uitbuiting en politieke intrige. Het inbeeldingsvermogen van mensen moest verlicht worden door een grootse visie van een goddelijke kosmische Heer die achter de autoriteit van de machtigen der aarde stond en hun claim tot macht ondersteunde. Pas dan zouden mensen neerbuigen in ontzag en eerbied voor hun koninginnen en koningen. De meest geloofwaardige koning is hij die van de goden afstamt.

Het was verder ook gewoon genieten om mee te gaan in het menselijk denken over goddelijke wezens. De overgang van polytheïsme naar monotheïsme bleek een interessant experiment en het lukte nog ook. God was echt trots op wat hij bereikt had. Nog mooier werd het met de coördinatie van de natuurlijke met de bovennatuurlijke wereld (ongeacht het dualisme dat er achter zat). Niet alleen hielp dit de mensen om hun koninginnen en koningen als onderdeel te zien van een onveranderlijke goddelijke orde, het verschafte ze ook het idee dat ze op een of andere manier grip hadden op de werkelijkheid. God schaterlachte. Op deze manier bewees hij ze nog een gunst ook.

Maar teveel orde in de wereld was uiteindelijk heel erg saai. Dus God zorgde er altijd voor dat er ook een beetje chaos was in de vorm van gewapende conflicten op het veld en bacchanalen aan het hof met af en toe een hongersnood of een aardbeving om de gewone man bezig te houden. Zo bleef het een beetje interessant. Echter, nadat God alle immoraliteit van de mensheid had aanschouwd en van elke zonde heerlijk genoten had tot de volste voldoening van alle mogelijke begeerte, lust, en zondig voorstellingsvermogen, begon God zich uiteindelijk toch te vervelen. Hoe vaak kun je dronken worden, aan orgies meedoen, of mensen martelen, executeren of tot slaaf maken voordat het je neus uit gaat komen? God mag dan oneindig zijn, maar zelfs de goddelijke oneindigheid is niet in staat om alle slechtheid van de mensheid te behappen of alle filosofische boeken te doorgronden. God had er z’n buik vol van. Zijn geduld met de mensheid was opgeraakt nog voordat de mensheid zichzelf kon vernietigen. En dat wil nog al wat zeggen.

De goddelijke bedelaar

Het mag dan erg lang geduurd hebben in menselijke termen, maar uiteindelijk was God moe geworden van de machtspelletjes en het entertainment waar de machtigen der aarde zich mee bezig hielden, de filosofische bespiegelingen waar de denkers zich onsterfelijk mee maakten en de weelde waar de rijken zich in wentelden. God begon er de kantjes van af te lopen. De mensen die afhankelijk waren van God voor hun macht en filosofische theorieën begonnen door te krijgen met wat voor onzin God al die tijd op de proppen was gekomen. Erger nog, de mensen die onderdrukt werden door de machtigen van de aarde begonnen dit ook in te zien. Ze begonnen hun stem steeds meer te roeren en ondergroeven alles wat God tot stand had gebracht. De machtigen hun macht garanderen werd steeds moeilijk voor God. Dit alles had uiteindelijk ernstige gevolgen. Misschien nog wel het meest voor God.

Er kwam een punt waarop zij die de macht hadden, doorkregen dat die macht veel makkelijk in stand was te houden wanneer er juist geen geloof in God meer was. Een brave staatsreligie kon nog, maar daar moest het mee ophouden. Het was veel effectiever, bleek nu, om mensen de illusie te geven dat ze de vrijheid hadden om die dingen na te streven die voorheen alleen behouden waren aan de machtigen van de aarde en de halfgoden van het pantheon. In het najagen van consumptieve vrijheid bleken mensen maar al te bereid om zaken als gerechtigheid en zorg voor de naaste over het hoofd te zien. Voor de belofte van veiligheid waren ze zelfs bereid hun ziel aan de duivel te verkopen. Als ze maar vrij konden zijn.

Het lag eigenlijk niet alleen aan God. De filosofen waren aan de haal gegaan met de ideeën die God ze had gegeven. Op een gegeven moment zeiden ze: Maar wacht eens even; hoe weten we dit eigenlijk? Wie zegt er dat God echt bestaat? Zij waren de eersten die alle aannames, die God had bedacht om de machtigen van de aarde te ondersteunen in de uitoefening van hun macht, in twijfel trokken. Hoewel de machtigen hen aanvankelijk als bedreiging zagen, werden ze al spoedig medestanders toen ze ontdekten dat God eigenlijk hun gezamenlijke vijand was.

Ze sleurden God weg bij de gouden troon waar ze hem op gezet hadden, pakten de mantel af die ze God hadden gegeven om te dragen en gaven hem een stevige geseling. Vervolgens paradeerden ze hem als een crimineel door de straten om hem uiteindelijk de stad uit te gooien.

“Wegwezen!” zeiden ze, “Je bent slechts een product van onze inbeelding, de demon van onze ergste nachtmerries. Je zult ons niet meer in de weg staan om zelf goden in ons eigen universum te zijn”.

“Hoe durven jullie”, stamelde God, “Ik heb jullie alles van mezelf gegeven. Ik heb van jullie onsterfelijke koningen gemaakt die met mij in de hemel regeren. Ik heb al jullie verlangens vervuld. In mijn naam hebben jullie geregeerd en nu vertellen jullie me dat ik moet vertrekken?”

“Je mag je hemel voor jezelf houden, God. Ga daar maar naar toe en, alsjeblieft, kom nooit meer terug”, riepen ze vol afkeer en in een poging Gods zojuist verkregen machteloosheid te benadrukken, daagden ze hem uit: “Dood ons dan! Vernietig ons maar met je zogenaamde eeuwige verdoemenis!”

“Nee. Hij heeft het niet in zich. Gaat niet gebeuren”, zeiden anderen die meewarig neerkeken op het hoopje ellende dat eens God was geweest.

Het was waar. God wist het. Al dat gepraat over almacht, alwetendheid, alomtegenwoordigheid en zelfgenoegzaamheid… het was allemaal filosofische bullshit. Mensen wisten tegenwoordig niet eens meer wat deze termen betekenen. Er zat voor God niets anders op dan weg te gaan. Hij mocht al blij zijn dat hij niet dood was. Toch probeerde hij het nog één keer.

“Maar is er dan helemaal niets meer dat ik nog kan doen”, fluisterde God, “Ik heb ook gewoon eten nodig, weet je”.

“Nou dan ga je toch lekker naar een van de weinige kerken waar ze nog in je geloven en eet je lekker de overgebleven hostie op en drink je een lekker glas communie wijn na”, grapte iemand die zich nog herinnerde hoe een mis gevierd werd. “Ha ha ha ha”, lachte iedereen hard.

Daar zat God in een donkere hoek van een oude kathedraal van een grote Europese stad. Hij keek hoe een handjevol mensen verloren raakte in de schaars verlichte zee van ruimte. “Er zal niet veel brood overblijven vanavond”, besefte God. Plotseling voelde hij zich diep verdrietig. Terwijl de tekenen van brood en wijn aan de gelovigen werden toegediend, drong de volle omvang van zijn teloorgang tot hem door.

De terugkeer

En dat was het moment dat het gebeurde. God zei bij zichzelf: “Als ik nu eens terug ging naar mijn eigen mensen die ik lang geleden verlaten heb? Zouden ze me welkom heten? Hier ga ik toch dood”. God dacht even na en wist toen wat hij zou doen. “Ik zeg ze gewoon dat ik het niet waard ben hun God te zijn en dat ik bereid ben om als een landarbeider op het land te werken”.

Nadat hij zichzelf moed had ingesproken, stond God op en ging hij op weg naar de mensen die hij lang geleden aan hun lot had overgelaten. God droeg lompen en zag er uit als een bedelaar. “Zullen ze me nog wel herkennen?” vroeg hij zich af. Maar negatieve bespiegelingen konden God niet langer weerhouden.

Na een lange en gevaarlijke reis kwam God eindelijk aan bij de plaats waar hij eenmaal vertrokken was om de wereld te ontdekken. Zoals verwacht stond er niemand op de uitkijk in afwachting van zijn terugkeer en om hem te verwelkomen. Toch deed het pijn. Een paar kinderen keken op van hun spel en renden naar de overkant van de straat om daar verder te spelen.

Een paar straten verderop zag God een kerkgebouw waarvan de deur openstond. Er ging zo een eredienst beginnen. God stapte naar binnen en zag dat het een herinneringsdienst was die opgedragen was aan God. Een herinneringsdienst? Blij en verbaasd stotterde God met een ongemakkelijke glimlach: “Hoi, Ik ben weer terug… ik ben … ik ben God. Herkennen jullie me nog?” God herkende diverse mensen van vroeger maar de herkenning was niet wederzijds.

“Ok maat, we hebben hier geen behoefte aan wannabe’s”, zij een van de aanwezigen verontwaardigd. “We treuren om het feit dat God vertrokken is maar zouden haar graag herinneren zoals ze was zonder dat iemand ons beeld van haar komt verstoren. Het geeft geen pas dat je jezelf voor haar uitgeeft die ons zo dierbaar is. Uitermate kwetsend. Je kunt óf je mond houden en meedoen óf ophoepelen”. “Bye, bye, Jezus”, grapte een ander toen God geen tekenen van medewerking vertoonde. “Of Krishna, Mohammed, of Gautama”, grinnikte weer iemand anders die zoveel wist dat hij altijd grapjes maakte waar niemand om kon lachen behalve hijzelf.

Duizelig wankelde God de deur uit. Dit was niet wat hij had verwacht, hoewel hij heus wel enige tegenstand of verwijten aan had zien komen. Maar er stond hem nog meer te wachten. God besloot om naar het huis te gaan van een van de pilaren in de gemeenschap met wie hij altijd een goede relatie had gehad. En ja hoor, ze deed de deur open. Maar ze keek niet blij.

“Hé Sandra”, zei God met een verlegen glimlach.

Sandra keek hem stil aan met een gezicht dat verwrongen was van bitterheid. “Ga alsjeblieft weg”, zei ze, “en vertoon jezelf nooit meer bij dit huis”.

“Het spijt me dat ik weg ben gegaan”, mompelde God in een poging zichzelf te verontschuldigen. “Ik ben voorgoed terug. Als je me tenminste wilt hebben”.

Tranen vulden Sandra’s ogen. “Het was eigenlijk goed dat je wegging. Het dwong me om eens goed te kijken naar mijn relatie met jou en mijn medegelovigen. Als ik één ding geleerd heb, is het dat ik als een vrouw altijd gedwongen werd om te functioneren onder de macht van mannen die er op uit waren om de macht voor zichzelf te reserveren. En dat deden ze in naam van God. Ik ben klaar met dit god-gedoe. Het is tijd to feel like a woman! Om eerlijk te zijn was jouw verdwijning mijn bevrijding. Het spijt me maar ik kan niet en wil niet nog een keer een god terug in m’n leven hebben”.

God wist niet hoe hij moest reageren. Hij keerde zich om, nu zelf met tranen in z’n ogen, en liep gehaast terug naar de straat. Achter hem sloeg de deur hard dicht. Een paar honderd meter verwijderd van de markt in de binnenstad kwam God een stel theologen tegen. “Met hen zal ik meer succes hebben, dacht God. Die zullen me wel welkom heten. Puntje bij paaltje hebben ze mij nodig om in hun eigen inkomen te voorzien.

De theologen, echter, moesten hard lachen toen God zich kenbaar maakte, omdat ze allang wisten dat God dood was. Sterker nog, hun theologie was gebaseerd op Gods dood. Dus wat God over zichzelf zei, klonk niet alleen als onzin in hun oren ook zaten ze niet bepaald te wachten op iemand die hun ideeën kwam ontkrachten.

“Ga met ons mee”, zeiden ze. “Laten we de ware vrijheid vieren die God in God’s dood ons gebracht heeft. De ultieme sublatie van de goddelijke liefde die opgaat in Gods Ander, de eindige schepping in haar materiële manifestatie”. God wist niet precies wat al deze moeilijke woorden betekenden. Een van de theologen gaf God een onbeleefd maar vriendelijk klapje op z’n linkerwang. “Je ziet er nogal bleekjes uit voor een goddelijke Ander, weet je”, zei hij, terwijl hij met een doctorale blik God van top tot teen opnam. Ze lachten allemaal hartelijk. Ze waren op weg naar hun whiskeykerk in een bar om de hoek waar een van hen een lezing zou geven. De stemming zat er in. God bleef bedremmeld staan terwijl de groep al pratend en lachend verder liep. Het was koud.

De profeet

God rende weg naar de rand van de stad op zoek naar een schuilplaats voor de nacht. Daar, in de marge van de samenleving ontmoette God de zwakken, de machtelozen, de onderdrukten en de hongerigen. “Hé, ik ben een van jullie”, fluisterde God in een poging zichzelf te introduceren. God kreeg het gevoel eindelijk ergens bij te horen. “Ik ben hier gekomen om aan jullie kant te staan. Afgezien van een korte periode van falen zijn jullie altijd het object van mijn liefde geweest; dit is mijn preferentiële keuze voor de armen”. God herinnerde zich nog net op tijd het jargon van de bevrijdingstheologen.

Maar de armen heetten God ook niet welkom. Het was niet dat ze God voor iemand anders hielden of God zijn bestaan wilden ontzeggen. In plaats daarvan hadden ze een paar eenvoudige vragen. “Heer, toen wij honger hadden, heb je ons toen gevoed? Toen we dorst hadden, heb je ons iets te drinken gegeven? Toen we vreemdelingen waren, heb je ons uitgenodigd of ons kleren gegeven om te dragen? Toen wij in de gevangenis zaten, heb je ons toen opgezocht?”

“Wat bedoel je”, vroeg God, “Wanneer waren jullie hongerig, hadden jullie dorst or waren jullie naakt?”

“Wat dacht je van nu, God? zeiden ze met een boos gezicht. “Waarlijk, voor zover je het niet gedaan hebt voor de minste onder ons, heb je het ons allemaal niet gedaan”.

Met grote bedroefdheid verliet God de stad en werd nooit meer gezien.

Er gaan geruchten dat hij van stad tot stad en van dorp tot dorp trok als een rondreizende profeet die, zonder zelf ooit een rustplaats te vinden, de massa’s onderwees in wijsheid en rechtvaardigheid.

Muziek in deze episode is van Looped Exodus en Trevor Gordon Hall

Geschreven en verteld door Jos de Keijzer.Dit verhaal is afkomstig uit de nog te publiceren verhalenbundel 'De Verloren God en Andere Ongelijkenissen', dat vooralsnog wacht op een uitgever. Voor informatie over eventuele uitgave van het manuscript neemt u contact op via deze website.© Het is niet toegestaan om zonder toestemming van de schrijver dit verhaal te gebruiken.

64 afleveringen