116 | Maar God! (1)

6:15
 
Delen
 

Manage episode 297320069 series 2942333
Van Vorming voor elke dag and Kand. A.S. Middelkoop, ontdekt door Player FM en onze gemeenschap - copyright toebehorend aan de uitgever, niet aan Player FM. Audio wordt direct van hun servers gestreamd. Klik de abonneren-knop aan om updates op Player FM te volgen of plak de feed URL op andere podcast apps.

Macht van de duivel

Voor dat zij Christus’ Naam beleden, leefden de Efeziërs in een doodse toestand, hoewel je dat niet zag op het eerste gezicht. Ze waren dood in zonden en misdaden. De Efeziërs leefden dus niet vanuit Christus, maar in Adam, (1 Kor. 15: 22). Buiten het paradijs, vervreemd van God, levend voor eigen genoegens. Ten diepste echter gebonden door satan.

De duivel is de god van deze eeuw. Hij is een wandelaar, een scharrelaar op de aarde. Denk aan de geschiedenis van Job, waar hij de in God gelovende man probeert te brengen tot het afzweren van God. Hij schuimt rond om zijn destructieve werk te doen. Hij gaat rond, zoekend te verslinden. Hoewel hij zijn tentakels uitstrekt naar Gods kinderen, heeft hij reeds grip op velen die buiten Christus zijn. Daarbij heeft satan slechts één doel: hen vasthouden die hij reeds heeft. Satan geeft zijn gevangenen een plezierige kooi, waardoor men niet doorheeft in wat voor situatie men zich bevindt.

Maar God

Het is in die omstandigheden waarin de dood heerst in Efeze, dat het ‘maar God…!’ klinkt in de Efezebrief (Ef. 2: 4). Waren er redenen bij de Efeziërs dat God zich over hen zou ontfermen? Nee. Werd er een gebed gehoord waaruit bleek dat zij reeds jaren uitzagen naar Gods ontferming? Nee. Was Efeze een stad die meer dan anderen aanleiding gaf om de boodschap van vrije genade te laten klinken? Nee.

Wat is dan wel de achtergrond van het genadige ‘maar God’, dat klinkt in de Efezebrief? God Zelf. Lang voordat iemand naar God ging vragen, was Hij daar reeds in Zijn ontferming. Hier blijkt dat de Heere soeverein is in Zijn handelen en zonder dat iets daartoe aanleiding gaf vanuit de mens besloot Zich te ontfermen.

Hart

Paulus werkt in twee woorden uit waar dit ‘maar God’ uit opkomt. Allereerst noemt hij het woord barmhartigheid, afgeleid van ‘eleos’. Het betekent medelijden, barmhartigheid. In Christus toont de Heere Zijn barmhartigheid. De Heere is rijk aan barmhartigheid. Er is bron in Hem die overstroomt als het gaat om Zijn barmhartigheid. Het welt op uit Zijn binnenste. Zijn ingewanden ‘rommelen van barmhartigheid’, zo leert het Oude Testament.

Het tweede woord is liefde, ‘agapè’. Zichzelf wegschenkende liefde, vanuit liefde om de ander. En waar richt die liefde zich op? Die liefde waarin Vader, Zoon en Heilige Geest elkaar liefhebben; en ten diepste genoeg hebben aan Zichzelf? Die liefde richt zich op zondaren. Op mensen die in de dood liggen. Op schuldige en onreine zondaren die zich over hebben gegeven aan het dienen van hun eigen lusten. Denk aan wat Paulus zegt in Rom. 5: 8: ‘Maar God bevestigt Zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, toen wij nog zondaars waren.’

Bron

De bron van Gods barmhartigheid en liefde ligt dus niet in wat Hij ziet in de mens. Integendeel. De Heere neemt redenen uit Zichzelf; maar God. Paulus sprak daarover reeds in Ef. 1: 4: ‘Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor Hem in de liefde.’ De Heere is niet de afhankelijke, die wacht tot mensen in beweging komen. Hij bewoog voor dat iets van ons begon te bewegen. Hij brengt in beweging en trekt naar Zich toe, tot behoud. Door de verkondiging van Zijn Woord roept Hij doden tot leven.

184 afleveringen